Bestuurder aansprakelijk voor kartelboete vennootschap?

Bestuurders van ondernemingen die betrokken zijn bij een kartel, kunnen door schuldeisers en curatoren persoonlijk worden aangesproken tot vergoeding van schade. Deze schade kan bestaan uit de kartelboete of het faillissementstekort. Welk bewijs moeten schuldeisers en curatoren daarvoor leveren? En wanneer kan een bestuurder zich nog verschonen? Over deze vragen heeft de rechtbank Noord-Nederland zich onlangs uitgelaten.

De zaak

Deze zaak draaide om één van Nederlands grootste handelaars in Noordzeegarnalen, Heiploeg. De bestuurder van Heiploeg had jarenlang intensief contact onderhouden met een van zijn belangrijkste concurrenten, Klaas Puul. Hierbij, zo stelde de Europese Commissie na onderzoek vast, hadden de concurrerende garnalenhandelaars hun verkoopprijzen en inkoopgedrag afgestemd en hun klanten onderling verdeeld. Reden waarom de Commissie Heiploeg een kartelboete oplegde van 27 miljoen euro, waarna de onderneming failliet ging.

Persoonlijk aansprakelijk voor kartelboete en faillissementstekort?

De curatoren spraken de ex-bestuurder vervolgens persoonlijk aan tot betaling van de kartelboete en het faillissementstekort. Dit ondanks het feit dat hij al jaren geleden was vertrokken en hem ook décharge was verleend. De juridische grondslag: onbehoorlijk bestuur (artikel 2:9 Burgerlijk Wetboek) en onrechtmatige daad (artikel 6:162 Burgerlijk Wetboek). 

Volgens de curatoren was de bestuurder nauw betrokken geweest bij de verboden activiteiten en wist hij, of had hij zich in ieder geval moeten realiseren, dat dit handelen in strijd was met de mededingingsregels. Daarmee zou de bestuurder onverantwoorde ondernemersrisico’s hebben genomen. 

De stellingen van de curatoren en hun bewijs waren grotendeels gebaseerd op het dossier van de Europese Commissie, dat zij via de Europese Verordening inzake de toegang tot documenten van o.a. de Europese Commissie hadden verkregen. Sinds de invoering van de Kartelschaderichtlijn kunnen belanghebbenden namelijk inzage vragen en toegang krijgen tot belangrijk materiaal ter ondersteuning van hun zaak.

Rechtbank wijst kartelboete proportioneel toe: 48% van de kartelboete.

In haar uitspraak besliste de rechtbank dat de bestuurder zijn taak inderdaad onbehoorlijk had vervuld en aansprakelijk was, omdat hem een ernstig persoonlijk verwijt kon worden gemaakt. De afstemming van in- en verkoopprijzen en het onderling verdelen van klanten vond de rechtbank een ‘zeer ernstige normschending’. Volgens de rechtbank stond de bestuurder van dit gedrag aan de wieg, had hij er actief aan bijgedragen en had hij een cultuur gecreëerd waarin dit gedrag binnen de onderneming niet werd gecorrigeerd. 

Wat betreft de vordering tot betaling van het faillissementstekort oordeelde de rechtbank dat Heiploeg op het moment dat de kartelboete werd opgelegd al structureel in zwaar financieel weer verkeerde. Heiploeg was namelijk overgenomen door een partij die de koop financierde met een lening van Heiploeg zelf (leveraged buy-out). Hierdoor waren de schulden verdrievoudigd en bestonden er al flinke betalingsproblemen. Juridisch gezegd ontbrak het ‘conditio sine qua non’-verband: Heiploeg had ook zonder de kartelboete failliet kunnen gaan. In dat licht vond de rechtbank het niet passen om de bestuurder persoonlijk voor het boedeltekort verantwoordelijk te houden.

Dit was anders voor de kartelboete van 27 miljoen euro. Hoewel de bestuurder inmiddels al bijna 10 jaar was afgetreden toen Heiploeg de boete kreeg, was hij toch gedurende bijna de helft van de periode dat het kartel had geduurd betrokken geweest. Voor die periode kon hij dan ook proportioneel worden aangesproken, voor een bedrag van 13 miljoen euro.

 

Overigens hadden de curatoren niet alleen deze bestuurder aangesproken. Voorafgaand aan de procedure troffen zij een schikking met andere bestuurders en commissarissen. Om deze reden oordeelde de rechtbank dat het bedrag van 13 miljoen euro moet worden verminderd met het bedrag dat deze bestuurder nog van de andere bestuurders en commissarissen zou hebben kunnen vorderen op grond van de bijdrageplicht die voortvloeit uit de collectieve bestuursverantwoordelijkheid. 

Conclusie

De Kartelschaderichtlijn uit 2014 moest het voor partijen die schade hadden geleden als gevolg van een kartel makkelijker maken om hun schade vergoed te krijgen. Deze richtlijn heeft inderdaad wat losgemaakt, maar is nog wel zo jong dat nog lang niet alles duidelijk is. Ook in deze zaak volgt waarschijnlijk nog een hoger beroep. Uiteraard zal ik u van de ontwikkelingen op de hoogte houden.

Wilt u weten hoe het zit met schadeclaims als gevolg een kartel? Of bent u benieuwd naar de positie van het bestuur in situaties als deze of soortgelijke aansprakelijkheden? Neem dan gerust contact met mij op. Ik beantwoord uw vragen graag.